Moet Wopke Hoekstra zich zorgen gaan maken?

Lange tijd leek het een gelopen race: Wopke Hoekstra zou de nieuwe lijsttrekker van het CDA worden. De minister van Financiën had wel een concurrent in de persoon van Hugo de Jonge, maar de kans dat die hem veel last zou bezorgen scheen klein. Hoekstra gold als daadkrachtig, degelijk, intelligent, hardwerkend, nuchter en noem nog maar wat eigenschappen op waarvan CDA’ers vinden dat die typisch CDA zijn. En Hoekstra ziet er met zijn lange, slanke, atletische gestalte nog goed uit ook, wat zijn aantrekkingskracht op vrouwelijke kiezers niet zal verkleinen. Hier en daar in christendemocratische kringen viel zelfs het woord ‘premierskandidaat’, al is het moeilijk in te zien hoe het CDA de in de peilingen veel grotere VVD zou kunnen verslaan.

Hugo de Jonge kon daar tot voor kort weinig tegenoverstellen. Hij is weliswaar de eerste vicepremier, maar een echt serieuze indruk maakt hij niet. Hij heeft eerder iets aanstellerigs, met zijn modieuze pakken en zijn al te blitse schoenen. Niet iemand waarmee ze in Ederveen of Ubach over Worms weglopen. Dat besef drong blijkbaar ook tot hemzelf door. Misschien – zo liet hij in interviews doorschemeren – zou hij zich niet eens kandidaat stellen voor de lijsttrekkersverkiezing bij het CDA, maar de keuze aan het partijbestuur overlaten.

Maar toen kwam de coronacrisis en Hoekstra kreeg het meteen moeilijk. Hij wist in Brussel weliswaar te verhinderen dat er eurobonds zouden komen, waardoor het rijke noorden van de EU zou moeten opdraaien voor de geldsmijterij van het zuiden, maar daarvoor betaalt hij een zware prijs. In hoofdsteden als Rome, Lissabon en Madrid staat de minister van Financiën voortaan te boek als een verwerpelijke Hollandse krent, die zelfs in de meest barre tijden geen solidariteit kan opbrengen met zwakkere broeders.

In zijn eigen partij (en in de VVD) mag Hoekstra dan lof oogsten voor zijn vasthoudendheid, zijn goede naam is door zijn halsstarrige Europese opstelling wel degelijk aangetast. Is het – zo zal menige CDA’er zich beginnen af te vragen – wel verstandig iemand als lijsttrekker aan te wijzen die in grote delen van de EU berucht is om zijn ondiplomatieke gedrag?

De Jonge daarentegen profiteert van het coronatijdperk. Door het onverwachte vertrek van minister Bruno Bruins mag hij zich voortaan ‘chef corona’ noemen. Dat betekent onder meer dat hij elke week het podium kan betreden met de grote baas zelf, premier Mark Rutte. Afgezien van de doventolk is daar verder niemand bij.

Rutte trekt tijdens deze grote coronashow natuurlijk de meeste aandacht naar zich toe. Hij houdt het inleidende praatje en kondigt eventuele nieuwswaardige ontwikkelingen aan. De vervelende klussen zijn voor De Jonge. Die mocht gisteren bijvoorbeeld uit de doeken doen waarom Nederland, anders dan steeds meer andere landen, het mondkapje niet verplicht stelt of op zijn minst met klem adviseert. Een onuitlegbaar verhaal, waar De Jonge dan ook niet goed uitkwam.

Maar intussen staat de vicepremier er toch maar. Niet helemaal, maar toch bijna net zo belangrijk als de minister-president zelf. Week in week uit mag hij voor het oog van de schijnwerpers de natie toespreken over het enige onderwerp dat er op dit moment toe doet. Mogelijk krijgt hij in deze rol nog maandenlang de gelegenheid zijn imago verder op te poetsen en ‘boven zichzelf uit te groeien’. Terwijl Hoekstra nergens de bekennen is en wellicht tandenknarsend moet toekijken.

Natuurlijk komen er nog pittige uitdagingen voor De Jonge. Zo wordt de invoering van de corona-app echt nog wel een dingetje. Maar als hij zich daar zonder al te veel blunders uit weet te redden, moet Hoekstra zich op den duur nog zorgen gaan maken.