Wim Kok, een geboren twijfelaar

Wim Kok was ‘geen heilige’, schrijft Marnix Krop in het eerste deel van zijn biografie over het PvdA-kopstuk. Iedereen die Kok enigszins gekend heeft kan dat bevestigen. Hij was inderdaad ‘wantrouwig’ en ‘buitengewoon humeurig’, had moeite met sociale contacten en deed er vaak uiterst lang over om een knoop door te hakken. “Kok neemt liever geen besluit dan een goed besluit,” grapte VVD-minister Gerrit Zalm ooit. Maar dat was in Nieuwspoort, dus dat had ik helemaal niet mogen verklappen.

Tegenover die minder aangename eigenschappen staat wel het nodige. Kok was de eerste voorzitter van de vakcentrale FNV, medeschepper van het roemruchte Akkoord van Wassenaar over loonmatiging en werktijdverkorting, vicepremier en minister van Financiën in Lubbers III en premier van 1994 tot 2002. Die laatste periode komt in dit deel van de biografie overigens niet ter sprake. Het loopt maar tot 1994. Wie meer wil weten moet nog een paar jaar wachten.

De eerste 56 jaar van Koks leven bevatten echter meer dan genoeg stof om over te schrijven. Krop – voormalig adjunct-directeur van het wetenschappelijk instituut van de PvdA en daarna onder meer Nederlands ambassadeur in Berlijn en Warschau – doet dat minutieus. Ietwat te minutieus naar mijn smaak, want hij somt wel erg veel details op. Dat komt vermoedelijk doordat Kok – uiteraard na lang wikken en wegen – zelf meewerkte aan het boek. Krop beschikte hierdoor over een eersteklas bron, wat niet iedere biograaf hem kan nazeggen. Niettemin had iets meer schrappen tot een betere leesbaarheid geleid.

Toch heb ik dit eerste deel van de levensbeschrijving geboeid gelezen. Het laat zien dat Koks humeurigheid en wantrouwen voortspruiten uit zijn jeugd, een tijd waarin hij voortdurend een stapje extra moest zetten om zich te bewijzen. Want Kok werd geboren in een zeer eenvoudig milieu. Zijn wieg stond in het Zuid-Hollandse Bergambacht, en niet bepaald in een elitewijk (mocht dat plaatsje dergelijke wijken al kennen). Vader Kok moest als los timmerman heel hard sappelen om zijn gezin een eenvoudig bestaan te kunnen bezorgen. De vakanties, om maar eens iets te noemen, bestonden uit één dagje naar Rotterdam.

Kok doorliep de mulo en de hbs en studeerde vervolgens in Nijenrode. Dat exclusieve opleidingsinstituut voor de internationale handel mag dan geen voor de hand liggende keuze lijken voor een arbeiderszoon, een cursus duurde er destijds maar twee jaar. Dan kon je snel op eigen benen staan. Bovendien kon Kok met behulp van vakbondsrelaties een beurs krijgen voor de instelling.

Na Nijenrode en de militaire dienst ging Kok werken, eerst bij een handelsonderneming maar al snel bij de bouwbond NVV. Bij deze socialistische organisatie klom hij gestaag op. Na de fusie van het NVV met het katholieke NKV werd Kok in 1976 voorzitter van de koepelorganisatie FNV. Intussen was hij getrouwd met Rita, een gescheiden vrouw die al twee kinderen had. Samen kregen ze er nog één.

Heel veel privébesognes komen in het boek van Krop verder niet ter sprake. Het gaat vooral over Koks carrière. Eerst als vakbondsman, en vanaf de jaren tachtig ook als politicus. Want PvdA-leider Joop den Uyl koos Kok – overigens ook na lang aarzelen – uit als zijn opvolger. In 1986 deed de voormalige FNV-leider voor het eerst mee met de Tweede Kamerverkiezingen. Kort daarvoor had hij nog overwogen burgemeester van Groningen te worden, iets waarvoor hij was benaderd. Zou hij ‘ja’ hebben gezegd dan had de geschiedenis van Nederland een ander verloop gehad.

Maar Kok ging de Kamer in. Aanvankelijk als fractievoorzitter van een ver van de politieke mainstream afgedwaalde oppositiepartij, maar vanaf 1989 als vicepremier van Lubbers III. Dit CDA-PvdA-kabinet opereerde moeizaam, maar zat de lange rit (bijna vijf jaar) wel uit. Dat kwam waarschijnlijk vooral doordat Lubbers en Kok het goed met elkaar konden vinden. Ze waren qua afkomst en karakter wel heel verschillende persoonlijkheden, maar ze hadden ook het een en ander gemeen. Beiden waren sterk resultaatgericht en allebei wilden ze voortdurend de controle houden over alles. Die eigenschappen maakten dat ze elkaar in crisistijden wisten te vinden.

En crisis was het vaak in Lubbers III. Al snel na het sluiten van het regeerakkoord bleek een ‘tussenbalans’ nodig om de uitgaven in overeenstemming te brengen met de ontvangsten. Er moest, kortom, drastisch worden bezuinigd. De meest in het oog springende maatregel vormde de WAO-ingreep. Het aantal arbeidsongeschikten liep totaal uit de hand en Kok was overtuigd van de noodzaak om de toestroom terug te dringen. Het duurde een hele poos voordat hij een beslissing had genomen, maar toen hield hij er ook aan vast. Een enorme massademonstratie van zijn vroegere FNV-vrienden kon hem niet meer aan het twijfelen brengen, ook niet toen uit polls bleek dat de populariteit van de PvdA drastisch slonk. Zijn positie als partijleider kwam zelfs onder druk te staan. Kok slaagde er echter in een ledenvergadering in Nijmegen haar vertrouwen in hem te laten uitspreken, zodat hij verder kon met zijn beleid. De (in hedendaagse ogen vrij bescheiden) WAO-bezuiniging ging door en het kabinet haalde piepend en krakend de eindstreep.

Bij de daaropvolgende verkiezingen verloor de PvdA 12 zetels. Doordat het hopeloos verscheurde CDA (Lubbers vertrok ten gunste van Elco Brinkman) nog veel harder achteruit kachelde, werden de sociaaldemocraten toch de grootste partij. Kok kon zijn intrek nemen in het Torentje.

Hoe dat afliep zal Krop zoals gezegd pas in deel II uit de doeken doen. Op hulp van Kok zelf hoeft hij daarbij niet meer te rekenen, want die overleed in 2018 op 80-jarige leeftijd. Niettemin zal Krop er wel in slagen ons net zo uitvoerig en soms breedsprakig te informeren als hij dat in deel I heeft gedaan.

Wim Kok. Een leven op eigen kracht. Deel I: voor zijn mensen. 1938-1994.